zaterdag 4 oktober 2014

Rode lap met ruitjes

Van school wordt een mens productief.
Kort verhaal nummer twee.



Rode lap met ruitjes

‘VERVLOEKT ZIJT GIJ, GIJ EN UW HUISGENOTEN!’ 
De kakkerlak en zijn gevolg bliezen de aftocht en verdwenen weer onder de kast.  
Vermoeid na deze redevoering plofte François op bed. Een latje van de lattenbodem begaf het en viel op de grond. 
‘MENEER FRANÇOIS WAAG HET NIET NOG EENS ZO TE BRULLEN WANT IK SCHROOM NIET U AF TE RANSELEN MET MIJN MATTENKLOPPER.’ Krijste de oude onderbuurvrouw die niets anders in haar leven deed dan boos zijn.  
Er waren erg veel overeenkomsten tussen hem en de onderbuurvrouw, maar dat had hij nog nooit tegen haar gezegd.  Haar huis werd altijd overbevolkt door kinderen. Krijsende kinderen. Kindergekrijs was vele malen erger dan buurvrouwgekrijs. 

Hoewel zijn botten piepten en kraakten als een aftandse machine die wel wat olie kon gebruiken , vertikte François het om een rollator aan te schaffen.  
En dus duurde het ruim een half uur voor hij aankwam bij de oude, stoffige bibliotheek twee straten verderop. Het was precies de route waar alle kinderen van de buurt buiten speelden. Ook wel elkaar bevochten, brulden als woeste kannibalen, zwerfkatten stenigden en nog duizend meer soortgelijke kinderpraktijken. Vol afschuw ging François elke week deze lijdensweg, terwijl hij zijn gezicht bedekte met de rood geruite zakdoek. Die kinderlijke schepsels keken hem nu hoogstwaarschijnlijk na als een aap in de dierentuin, maar hij zag hen toch niet en dat was precies de bedoeling. 

‘Zou u het attribuut zakdoek van uw hoofd willen verwijderen, anders moeten wij u helaas vragen dit gebouw te verlaten.’ Piepte de magere bibliotheekmevrouw.
Met een wild gebaar trok hij de zakdoek van zijn hoofd. ‘Gij onnozel mens, alsof ik met deze doek op mijn hoofd in staat ben een paar goede boeken uit te kiezen.’
Overrompeld door deze harde, doch wijze woorden draaide ze zich om en stiefelde weg. 
Hij keurde haar geen blik meer waardig en begon met zijn boekenzoektocht.  Maar hij was nog geen twee minuten bezig of er botste een jongetje tegen hem aan. De scheldkanonnade die hij op elk kind afvuurde schoot al bijna zijn mond uit toen het jongetje fluisterde ; ‘ Als je je rode zakdoek terug wilt, haal je binnen nu en drie minuten het schilderij dat je achter je hangt van de muur. Ik wil het hebben. Maar hij hangt te hoog.’ 
François’ hand vloog naar zijn broekzak, waar de zakdoek behoorde in te zitten. Hij vond hem niet. Het jongetje wapperde het doekje treiterend heen en weer. 
‘Onschuldige oude mannen behoor je met u aan te spreken.’ fluisterde François op zijn meest woeste fluistertoon. 
Het jongetje trok zijn wenkbrauw op. ‘Tegen kinderen moet je aardig doen.’
‘Dan wordt ons allebei iets opgedragen wat we onmogelijk ten uitvoer kunnen brengen.’
‘Ik wil het schilderij.’
François keek om zich heen. De magere bibliotheekmevrouw stond helemaal aan de andere kant de brandschone vloer te vegen.  Langzaam liep hij naar de plek waar het schilderij hing. Het was een afzichtelijk schilderij.  Kinderschilderij. 
Geluidloos griste hij het van de muur. 
Het jongetje bleef wapperen.

François  rende. Zijn hart roffelde bijna zijn borstkas uit en zijn longen piepten en gierden alsof ze het bijna begaven.
Dat deden ze ook. 
Het puntje van de zakdoek hing uit zijn broekzak. 
Daar was een bankje.  Hij minderde vaart , zeeg neer op het bankje en bekeek het schilderij dat hij in zijn handen had  nog eens goed. 
Langzaam haalde hij het uit de lijst en begon er een vliegtuigje van te vouwen.