maandag 27 oktober 2014

Frederik die bellen blies

Resultaat van net iets minder dan tweeënhalfuur ploeteren met een explosieve blaas, ook wel een toetsverhaal.






Frederik die bellen blies

 
  ‘Noem een kind een kind en het bezit alle rechten om wandaden te verrichten die een normaal mens verafschuwt.’ Jakobus stopte even en snoot zijn neus. Ging verder met zijn redevoering. Het kwam erop neer dat kinderen van de aardbodem zouden moeten verdwijnen of dat ze berecht zouden moeten worden als volwassenen.
Frederik knikte.
Het belletje rinkelde. Er stoof een meisje naar binnen, een dikke mevrouw die hoogstwaarschijnlijk haar moeder was ,sjokte achter haar aan. Stuivende meisjes waren het teken om te vertrekken.

 
Jakobus liep met opgeheven hoofd de winkel uit. Haalde zijn opschrijfboek uit zijn jaszak en schreef wat.
Enkele notities van Jakobus :

Lucht met twijfelachtige kleur, grijs of wit met wat blauw erbij.
Hoogstwaarschijnlijk zo’n negentien graden.
Weggejaagd worden door stuivende kinderen vond vroeg plaats vandaag.

 
Hij liep verder. Gooide onderweg wat muntjes in de vijver. Wenste dat kinderen voortaan geboren zouden worden met de hersenen van een volwassene en dat ze het dan wel uit hun hoofd zouden laten zich zo achterlijk te gedragen en alleen maar aan zichzelf te denken.
Jakobus wenste dit elke dag wanneer hij weer was weggejaagd door een stuivend gevaarte en het feit dat hij vrijwel elke dag wel een keer weggejaagd werd door een stuivend gevaarte wees erop dat zijn wens nog niet uitkomen was. Maar hij had muntjes genoeg.  

 Jakobus ging op zijn vaste bankje onder de grote boom aan de rand van het plein zitten. Pakte zijn opschrijfboek. Noteerde wat hij zag. De lange, spichtige zakenman met een aktetas die uitpuilde van de papieren die vast heel belangrijk waren. Hij had altijd haast.  De mevrouw van de winkel aan de overkant die elke dag met een droevig gezicht een sigaret oprookte om de sleur van het kassabestaan te doorbreken. Hordes meisjes die het niet nodig vonden hun algemene ontwikkeling op peil te houden en daarom hun leven doorbrachten hier, op het plein en de leerplicht aan hun laars lapten. Ze rookten ook sigaretten. Heel veel. En moeders, heel veel moeders met gillende kinderen.
Het begon te schemeren  en Jakobus achtte het tijd om te gaan.

 Hij stapte zijn kantoor binnen. Botste bijna tegen de baas op. Hij vroeg zich af wat de baas in zijn kantoor deed. Hij vroeg zich af wat dat meisje naast de baas in zijn kantoor deed.
‘Dag Jakobus, dit is Pientje. Pientje wilde weten wat ik zoal deed in het dagelijks leven. Ik vond vandaag een mooie dag om haar dat te laten zien.’ Jakobus keek ondertussen naar de plas water op de grond. Er dreven stukjes groen in. Met zijn ogen volgde hij het spoor van de plasjes. Het stopte bij zijn bureau. De kom was omgevallen. Om de zoveel tijd drupte er een druppeltje op de grond.
Hij keek naar Pien. Aan haar handen kleefden stukjes groen.

 
Het belletje rinkelde.
Hij liep meteen door naar de uiterste uithoek van de winkel en ging op zijn krukje zitten. Haalde zijn opschrijfboekje uit zijn zak en vertelde Frederik over alles wat hij vandaag had gezien. Frederik knikte zoals hij altijd bevestigend knikte als Jakobus vertelde. Jakobus vond dat een erg prettig gebaar.  Veel meer kon je van iemand als Frederik ook eigenlijk niet verwachten en dus deed hij dat ook niet. Het was fijn om je belevenissen aan iemand te vertellen die niet stoof. Alleen wat belletjes blies. Omdat Jakobus vaste klant was, ook al kocht hij nooit iets, mocht hij het personeelstoilet gebruiken.Terwijl hij naar het kleine spinnetje boven in de hoek staarde gebeurde er iets vreemds.
Eerst rinkelde het belletje.

Er kletterde iets.
Er gilde iets.

Zijn nieuwsgierige aard gebood hem gauw zijn broek dicht te knopen en met volle vaart vloog hij terug de winkel in.

De grote bak was omgevallen.
Water stroomde over de grond.
Midden in de plas water stond een meisje.  Aan haar handen kleefden stukjes groen.