dinsdag 23 september 2014

Drie Droevige Straaltjes

Het allereerste Korte Verhaal
In opdracht van meneer Admiraal

School is best wel ergens goed voor soms

-------------------------------------------------------------------------------------

                                                   Drie Droevige Straaltjes                            

 

De oude buurman die Gregorius heette zat op een bankje aan de overkant en voorzag wat duiven van hun ontbijt.
Voor de rest zag hij, vanuit het kleine gat in de boom alleen wat fanatieke toeristen die gewapend met fototoestellen over het plein struinden omdat dingen er in de ochtendzon mooi uit zien. Hij achtte dit publiek onoplettend genoeg om naar het Kleine Fonteintje te lopen zonder dat hij te veel opviel en ze foto’s van hém zouden gaan maken. Al was de hele wereld onoplettend en kende niemand zijn naam en leek niemand daar ook maar enige behoefte aan te hebben en maakte het niet uit of hij nu op het drukste moment van de dag naar buiten ging, of nu.
Hij spurtte naar buiten. Regelrecht naar het Kleine Fonteintje.
Er kwamen drie droevige straaltjes water uit. Hij zakte door zijn knieën , viste een tandenborstel en tandpasta uit de zak van zijn verschoten pakjasje, hield de tandenborstel met spul erop onder het middelste droevige straaltje en begon te poetsen.

 
Genietend van het feit dat de vieze ochtendsmaak weer uit zijn mond verdwenen was huppelde hij terug naar de Holle Boom.
Toen hij de Holle Boom voor het eerst zag stond die leeg en hij had de gelegenheid te baat genomen er zijn huis van te maken. Hij had er per slot van rekening geen. Nu woonde hij er samen met zijn metgezel Beer. Beer was de beste beer van de wereld want hij was het enige wezen op aarde dat de moeite deed om naar hem te luisteren, iets wat hij al bijna zijn hele leven volhield. Dat was wat hem de beste beer van de wereld maakte.  

 
Nadat hij Beer begroet had, die op een stapel boeken zat, plofte hij in zijn hangmat die ook bed was en hij voor het gemak maar hangbed was gaan noemen. Het was niet zijn beste zelfverzonnen woord. Maar Beer was de enige die hoorde wat hij zei dus dat gaf niet zo veel want de rest van de wereld interesseerde het hoogstwaarschijnlijk niets wat voor namen hij zijn meubilair gaf. Het scheelde de rest van de wereld hoogstwaarschijnlijk niet dat hij bestond.  Terwijl hij nadacht over deze dingen en nog meer begon de grond te trillen. Niet hard. Maar toch zo dat hij het voelde terwijl hij vijftig centimeter boven de grond bungelde. Beer viel voorover.
Verbaasd keek hij over het randje van zijn hangbed. Theoretisch gezien was het helemaal niet mogelijk dat er een aardbeving plaatsvond in een holle boom die geworteld was op een plek waar aardplaten totaal niet de behoefte hadden om een aardbeving te veroorzaken. Toch bleef de grond bewegen en omdat hij te ver over het randje hing viel ook hij op de grond. Drie centimeter voor zijn ogen begon de grond nu werkelijk te scheuren.
Er knalde er een hoofd door de scheurtjes.
Aan het hoofd zat het lijf van een dikke meneer dat omhuld werd door een pak met streepjes.
‘ik had me de wijde wereld toch iets wijder voorgesteld.’
‘De wijde wereld is alleen wijd als je hem vanaf de juiste plaats bekijkt en ik geloof niet dat dat in uw geval gelukt is.’
‘ Voordat u me verplettert met nog meer diepe wijsheden wil ik u graag een voorstel doen, beste man van wie ik de naam niet weet.’
‘Ik weet mijn naam niet meer. Niemand zegt ooit mijn naam want er is niemand op deze aarde die tegen mij praat. Ik praat wel met Beer, die daar ter aarde is gestort door uw wat luidruchtige komst. Maar mijn naam zegt hij niet. Beren zijn over het algemeen geen praatgrage dieren, ziet u.’
De dikke man keek even naar Beer.
‘Zullen we ruilen?  Ik ga de wijde wereld van de goede plaats bekijken en jij gaat naar de plaats waar ik vandaan kom. Iedereen kende er mijn naam. Iedereen zal er jouw naam kennen. Dat jij die van jou vergeten bent doet er niet toe, want ze geven je een nieuwe. De mijne was ik overigens helemaal vergeten te melden, het spijt me. Zesdrienulzeven, aangenaam.’
Het klonk aanlokkelijk.
‘Laten we ruilen.’

 
‘Het is hier veel groter dan in de Boom. Ongezelliger. Maar wel groter.’ zei hij opgewekt tegen Beer. Beer zat tegen de muur en nam met zijn starende blik de geheel nieuwe omgeving nauwkeurig in zich op. ‘Ik kruip zo nog wel even terug om wat boeken en andere overlevingsmiddelen op te halen. Dan hebben we het een en ander te doen als we wachten op mijn naam.’
Hij liep naar het gat in de grond die het begin, of het einde was van de lange tunnel die hij net bewandeld had. Wurmde zich erdoor heen en ging op weg. De weg stopte al na zo’n tien meter. Verder gaan was onmogelijk en hoewel hij tijdens het wachten op zijn naam eigenlijk wel wat wilde lezen zat er niets anders op dan terug te keren.

 

‘ZESDRIENULZEVEN. DINER. OPEN HET LUIK.’ 
Met een ruk schoot hij overeind en liep naar de deur waar een klein luikje inzat, hij maakte het open en keek door de kleine opening. Een hand schoof een dienblad met een wat triest uitziend broodje en een kroes gevuld met een troebele substantie erin naar binnen.
‘Eh, dank u zeer vriendelijk voor deze lekkernij, maar ik ben niet meneer Zesdrienulzeven. Die is de wijde wereld in om precies te zijn en ik wacht nu hier op mijn nieuwe naam want de oude ben ik vergeten.’
Het luikje knalde dicht.

 
Het brood was vies. De inhoud van de kroes smaakte naar slootwater. De streepjes op de muur vertelden hem dat dit diner hem al zeventien en een halve dag werd voorgeschoteld. Ze noemden hem al zeventien en een halve dag Zesdrienulzeven.
Zo heette hij verdorie helemaal niet, dat probeerde hij de hand met het dienblad elke keer weer duidelijk te maken. Maar het antwoord bleef een knallend luikje. Om de tijd wat te doden grabbelde hij in de zak van zijn pakjasje en viste er een krijtje uit.  Op de muur verscheen langzaam het Kleine Fonteintje. Drie droevige straaltjes dropen naar beneden.
Opnieuw rommelde hij wat in zijn zak en haalde de tandenborstel  tevoorschijn. Verslagen keek hij naar de drie droevige straaltjes op de muur.
‘Och Beer, zelfs het recht op tandenpoetsen is ons bruut ontnomen.’